Steun aan ouders van kinderen met kanker en toegang tot psychologische steun of deelname aan praatgroepen of ondersteuningsactiviteiten

Om de ondersteuning en de psychosociale begeleiding van patiënten en hun naasten in het omgaan met de ziekte te versterken, hen een betere levenskwaliteit te kunnen bieden, en om het psychosociaal onderzoek in de oncologie te faciliteren, werd in 2008 een gezamenlijke projectoproep voor de initiatieven 21 en 22 van het Kankerplan uitgebracht.

In het kader van deze actie werden er tussen 2009 en 2011, 49 projecten voor psychosociale ondersteuning gefinancierd. Na de eerste periode heeft de Federale Overheidsdienst (FOD) Volksgezondheid een tweede projectoproep voor de periode 2012 tot 2015 gelanceerd. Dit resulteerde in de selectie van 65 projecten ingedeeld in drie luiken. De 25 projecten van luik A waren gericht op “de organisatie van lotgenotencontacten”; de 23 projecten van luik B voorzagen in “begeleidingsruimtes voor kinderen”, en de 17 projecten van luik C focussen zich op “innovatieve benaderingen in de psychosociale aanpak”. Deze projecten zijn afgerond en de resultaten werden gepresenteerd in eindrapporten welke gepubliceerd en beschikbaar zijn op de website van de FOD Volksgezondheid (http://www.health.belgium.be/nl/publicaties-en-onderzoek). In deze eindrapporten wordt de volgende informatie over de projecten meegegeven: voorstelling en analyse van de projecten (a.d.h.v. een Sterktes-Zwaktes-Opportuniteiten-Bedreigingen-analyse); de begeleidingsacties; de activiteitenrapporten; de evaluatie van de projecten, en de aanbevelingen voor toekomstige projecten van het wetenschappelijk team dat werd aangesteld voor de opvolging en begeleiding van de projecten.

De evaluatie van de projecten was moeilijk en complex, voornamelijk veroorzaakt door het heterogeen karakter van de projecten. De projecten werkten nl. met erg verschillende benaderingen, die varieerden afhankelijk van de doelstellingen (ontvangst, preventie, vroegtijdige detectie, psychotherapie), de doelgroep (volwassenen, kinderen of ouders/naasten of patiënten) en het interventiekader (open of gesloten groepen). Het gebruik van eenzelfde tool voor projecten die zo uiteenlopend zijn liet geen adequate evaluatie van de projecten toe. Ondanks de complexiteit qua evaluatie van de projecten brachten deze projecten zeer belangrijke geleerde lessen en aanbevelingen met zich mee. Specifieke aanbevelingen werden in de eindrapporten geformuleerd  en formuleren het belang van een betere samenwerking tussen ziekenhuizen om de verbetering en echte innovatie op het vlak van psychosociale ondersteuning in oncologie te realiseren, alsook 'goede praktijken' te ontwikkelen. Eenzelfde samenwerking zou ook gestimuleerd moeten worden tussen de verschillende zorgverleners die buiten de ziekenhuizen werken. Uiteindelijk zullen deze aanbevelingen toelaten om de expertise te verspreiden in België, de resultaten van de projecten te valoriseren en zo een betere begeleiding van kankerpatiënten en hun naasten mogelijk te maken.

Qua valorisatie dienen de kennis en inzichten van de projecten geïntegreerd te worden in de wetenschappelijke vorming van de psychologen en binnen het huidige opleidingsaanbod van CHi en CPO opgenomen te worden.

Een plan van aanpak voor deze valorisatieoefeningen wordt uitgewerkt tijdens een werkgroep ‘psycho-oncologie’ georganiseerd door het Kankercentrum met vertegenwoordigers van CHi en CPO uitgewerkt.