Opwaardering van het multidisciplinair oncologisch consult (MOC)

Binnen de organisatie van de kankerzorg is het Multidisciplinair Oncologisch Consult (MOC) een belangrijk instrument. Een MOC is een vergadering waar verschillende specialisten betrokken bij eenzelfde (type) kanker samenkomen om een voor elke patiënt optimaal geïntegreerd diagnostisch, behandel- en opvolgingsplan uit te werken (KCE rapport 239, 2015). De nomenclatuur voor het MOC werd ingevoerd via het KB van 25 november 2002 en trad in werking op 1 februari 2003. Binnen het Kankerplan werd een aantal maatregelen genomen om het MOC op te waarderen.

Maatregel 1 : Verplicht multidisciplinair oncologisch consult (MOC) voor alle nieuwe kankergevallen
Maatregel 2 : Opwaardering met 5% van de honoraria in het kader van het MOC
Maatregel 3 : Herwaardering van de specifieke raadplegingen van medische oncologen, hematologen en endocrinologen
Maatregel 4 : De deelname van huisartsen aan het MOC bevorderen
Bijkomende aspecten van de MOC
Conclusie MOC

 

Verplicht multidisciplinair Oncologisch Consult (MOC) voor alle nieuwe kankergevallen

Multidisciplinair Oncologisch Consult :

Sinds 1 november 2010 werd de nomenclatuur van de MOC-prestatie aangepast (KB van 18 augustus 2010), en wordt er naast een ‘eerste’ MOC voor iedere nieuwe kankerdiagnose ook de mogelijkheid voorzien voor een ‘opvolgings-MOC’ en ‘bijkomend MOC’. Een opvolgings-MOC wordt gedefinieerd als een multidisciplinair oncologisch consult (dus waarbij een multidisciplinaire beslissing noodzakelijk is) om de diagnose te herbekijken en/of het behandelplan te wijzigen en/of de bestralingsreeks te herhalen binnen de 12 maanden sinds de begindatum van de eerste reeks bestralingen. Een ‘bijkomend MOC’ wordt voorgeschreven om de diagnose of het behandelplan te laten bevestigen in een ander ziekenhuis, wanneer het eerste MOC geen definitieve diagnose of behandelplan heeft opgeleverd. Financiering voor een bijkomend MOC wordt enkel toegekend indien de naam van het ziekenhuis waarnaar de patiënt wordt doorverwezen is opgenomen in het verslag van het eerste MOC.

De opvolging van de MOC’s gebeurt op basis van terugbetalingsgegevens van RIZIV voor de periode van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2014. Gegevens over het ‘eerste MOC’ (nomenclatuurcodes 350372 en 350383) zijn beschikbaar voor de periode 2006-2014; gegevens over het ‘opvolgings-MOC’ (nomenclatuurcodes 350276 en 350280) en ‘bijkomend MOC’ (nomenclatuurcodes 350291 en 350302) zijn beschikbaar voor de periode van 1/10/2010 tot 31/12/2014.

Voor sommige analyses worden de cijfers uitgedrukt per aantal kankerpatiënten. Via de website van de Stichting Kankerregister werd het aantal nieuwe diagnoses opgezocht. Er werden jaarcijfers opgezocht voor de periode 2006 tot en met 2013, voor alle Belgen, voor mannen en vrouwen apart, per leeftijdsklasse, en per gewest. Voor 2014 zijn de cijfers van het Kankerregister nog niet beschikbaar, daarom werd het aantal consultaties in 2014 uitgedrukt ten opzichte van het aantal invasieve tumoren in 2013. RIZIV gegevens die niet beschikbaar zijn voor een volledig jaar (bijv. opvolgings-MOC en bijkomend MOC in 2010) werden niet mee opgenomen in de analyses.

Multidisciplinair oncologisch consult (MOC): totaal

Het totaal aantal MOC’s voor de periode 2006-2014 wordt voorgesteld in Figuur 1. Ter vergelijking wordt in de tabel 1, het totaal aantal invasieve tumoren per jaar gegeven. Tijdens de jaren 2008, 2009 en 2010 is het aantal multidisciplinaire consulten hoger dan het aantal nieuwe kankerpatiënten. Dit illustreert dat er meer nood was aan differentiatie, en bijkomende codes. Vanaf 2011 wordt dit ook duidelijk in de cijfers: het aantal eerste MOC’s ligt in de buurt van het aantal nieuwe kankerpatiënten; het aantal opvolgings-MOC ligt op ongeveer de helft van het aantal nieuwe kankerpatiënten per jaar. Het aantal bijkomende MOC’s is zeer beperkt en stabiel over de tijd, nl. ongeveer 500 per jaar.

Bron: RIZIV. Eerste MOC: 2006-2014: gegevens van 12 maanden. Opvolgings-MOC & bijkomend MOC: 2010: gegevens vanaf 1/11/2010; 2011-2014: gegevens van 12 maanden.

Bron: Belgisch Kankerregister. Cijfers voor 2014 nog niet beschikbaar.

Multidisciplinair oncologisch consult (MOC): mannen vs. vrouwen

Het aantal MOC’s per jaar voor de periode 2006-2014 per geslacht wordt voorgesteld in Figuur 2. De tijdstrend is analoog bij mannen en vrouwen, nl. een stijging van het aantal eerste MOC’s tot 2010; vanaf 2011 daalt het aantal eerste MOC’s, en wordt deels vervangen door opvolgings-MOC’s. In absolute aantallen (Figuur 2A), worden er ongeveer evenveel MOC’s uitgevoerd bij mannen en vrouwen. Uitgedrukt in functie van het aantal kankerpatiënten (Figuur 2B), worden er bij vrouwen relatief meer MOC’s uitgevoerd. Na 2011 ligt het aantal eerste MOC’s per 100 nieuwe kankergevallen op ongeveer 90 bij mannen, en op 105 bij vrouwen; het aantal opvolgings-MOC’s schommelt rond de 50 per 100 kankerpatiënten bij mannen tegenover 55 per 100 bij vrouwen. Het aantal bijkomende MOC’s wordt niet weergegeven in de figuur. Per jaar worden er, zowel bij mannen als bij vrouwen, ongeveer 270-280 bijkomende MOC’s uitgevoerd. Dit komt neer op 7 consulten per 1000 nieuwe kankerpatiënten per jaar bij mannen en 8/1000/jaar bij nieuwe vrouwelijke kankerpatiënten.

Bron: RIZIV. Eerste MOC: 2006-2014: gegevens van 12 maanden. Opvolgings-MOC: 2010: gegevens vanaf 1/11/2010; 2011-2014: gegevens van 12 maanden.

Multidisciplinair oncologisch consult (MOC): per leeftijdsklasse

Het absoluut aantal MOC’s per leeftijdsklasse, voor de periode 2006-2014, en apart per type MOC wordt gegeven in Tabel 2. In absolute termen worden de meeste MOC’s uitgevoerd in de leeftijdsklasse 60-79 jaar, maar het is ook in deze groep dat de kankerincidentie het hoogst is.

Bron: RIZIV. Eerste MOC: 2006-2014: gegevens van 12 maanden. Opvolgings-MOC & bijkomend MOC: 2010: gegevens vanaf 1/11/2010; 2011-2014: gegevens van 12 maanden.

De verdeling van de MOC’s per leeftijdsklasse wordt ook bekeken in functie van het aantal kankerpatiënten. Figuur 3 geeft het aantal ‘eerste MOC’s’ voor de periode 2006 tot en met 2010. Het totaal aantal MOC’s stijgt in de loop van de jaren, maar de trend per leeftijd is analoog voor de verschillende jaren, namelijk een dalende trend in het % MOC’s met de leeftijd van de patiënt.

Figuur 4 geeft het aantal eerste MOC’s, opvolgings-MOC’s en bijkomende MOC’s, uitgedrukt per 100 kankerpatiënten per jaar, voor de periode 2011-2014. Merk op dat de schaal in de y-as verschilt voor de drie figuren. Voor de eerste MOC’s (Figuur 4A) ligt het aantal MOC’s in alle opeenvolgende jaren kort in de buurt van 100 MOC’s per 100 nieuwe kankerpatiënten voor de leeftijdsklasse ‘<20 jaar’ (met uitzondering van het opstartjaar 2011), ’40-59 jaar’, ’60-79 jaar’ en ‘≥80 jaar’. Voor de leeftijdsklasse ’20-39 jaar’, daarentegen, ligt deze waarde consistent rond de 140 MOC’s per 100 kankerpatiënten. De reden hiervoor is onduidelijk. De opvolgings-MOC’s (Figuur 4B) worden vooral toegepast bij de jongere leeftijdsgroep en het minst bij de oudste leeftijdsklasse. Er worden duidelijk minder opvolgings-MOC’s uitgevoerd in de leeftijdsgroep van ’20-39 jaar’ dan voor de leeftijdsgroep van ’40-79 jaar’. Mogelijk heeft dit te maken met het feit dat er meer ‘eerste MOC’s’ worden uitgevoerd in de klasse ‘20-39 jaar’ of dat er, na doorverwijzing naar een andere centrum, opnieuw een ‘eerste MOC’s’ wordt geregistreerd terwijl dit eigenlijk een opvolgings-MOC is voor de doorverwezen patiënt.

Bijkomende MOC’s worden niet vaak toegepast (gemi

ddeld 1,1 MOC per 100 kankerpatiënten per jaar), maar er is wel een duidelijke trend volgens de leeftijd van de patiënt, nl. een hoger gebruik in de jongere leeftijdsgroepen (Figuur 4C).

Bron: RIZIV. Eerste MOC: 2006-2010: gegevens van 12 maanden.   

Bron: RIZIV. Eerste MOC: 2006-2014: gegevens van 12 maanden. Opvolgings-MOC & bijkomend MOC: 2010: gegevens vanaf 1/11/2010; 2011-2014: gegevens van 12 maanden.

Multidisciplinair oncologisch consult (MOC): per gewest

De jaarcijfers voor eerste MOC en opvolgings-MOC per gewest worden voorgesteld in Figuur 5. Om de regio’s onderling te kunnen vergelijken worden de cijfers uitgedrukt per 100 nieuwe kankerpatiënten per jaar. Voor het eerste MOC is er alle drie de gewesten een toename van het aantal consulten tussen 2006 en 2010. Vanaf 2010 daalt het aantal eerste MOC’s en is er een graduele toename van het aantal opvolgings-MOC’s. Voor beide type MOC’s en op ieder tijdstip liggen de cijfers hoger in Vlaanderen in vergelijking met Brussel en Wallonië.

Bron: RIZIV. Eerste MOC: 2006-2014: gegevens van 12 maanden. Opvolgings-MOC & bijkomend MOC: 2010: gegevens vanaf 1/11/2010; 2011-2014: gegevens van 12 maanden.

Opwaarding met 5% van de honoraria in het kader van het MOC

Sinds 1 maart 2010 gelden er twee nieuwe verrichtingen in het kader van het multidisciplinair oncologisch consult (MOC):

  • bijkomend honorarium voor de coördinatie van een MOC door de arts-specialist in de medische oncologie of door de arts-specialist met de bijzondere beroepstitel klinische hematologie of pediatrische hematologie (nomenclatuurcodes 350453 en 350464);
  • bijkomend honorarium voor deelname aan een MOC door de arts-specialist in de medische oncologie of door de arts-specialist met de bijzondere beroepstitel klinische hematologie of pediatrische hematologie (nomenclatuurcodes 350475 en 350486).

De nomenclatuur voor deelname door een arts aan het MOC bestaat reeds sinds 1/2/2003, zowel voor artsen die deel uitmaken van de staf van ziekenhuisgeneesheren (nomenclatuurcodes 350394 en 350405), als voor artsen die geen deel uitmaken van de staf van ziekenhuisgeneesheren (nomenclatuurcodes 350416 en 350420).

In Tabel 3 wordt een overzicht gegeven van honoraria en bijkomende honoraria voor MOC’s die werden toegekend in de periode 2010-2014. Ter vergelijking wordt in dezelfde tabel ook een overzicht gegeven van het aantal MOC’s (eerste, opvolgings- en bijkomend MOC) per jaar.

Bron: RIZIV. Cijfers voor 2010 vertegenwoordigen verschillende periodes: a12 maanden (1/1/2010-31-12/2010); b2 maanden (1/11/2010 tot 31/12/2010); c 10 maanden (1/3/2010 tot 31/12/2010); 2011-2014: gegevens van 12 maanden.

We zien een lichte stijging in het aantal eerste MOCs sinds 2012 met 71 925 eerste MOCs geregistreerd in 2014. Ook het aantal opvolgings-MOCs blijft verder stijgen. Daaruit volgt, dat ook het uitgekeerde honorarium voor deelname aan de MOC verder is gestegen van €362 662 in 2011 tot €431 850 in 2014. Het uitgekeerde honorarium voor artsen die geen deel uitmaken van de staf van het ziekenhuis blijft echter stabiel. De stijging is dus bijna volledig te wijten aan bijkomende prestaties door artsen die deel uitmaken van het ziekenhuispersoneel. In 2011, waren er gemiddeld 4,15 artsen ((362662+47087)/98696) aanwezig tijdens een MOC in 2011. Dit is licht gestegen tot 4,4 artsen in 2014 ((43.180+57.193)/111.324) .



Er is noch informatie beschikbaar over het % opvolging van de adviezen gegeven tijdens de MOC noch concrete gegevens voor België over de toegevoegde waarde van deze adviezen. De artsen percipiëren wel dat de MOCs de kwaliteit van de zorg verbetert (KCE rapport 239A, 2015). Uit dit KCE rapport blijkt bovendien dat de honorering van de MOC zeer complex is. Om betaald te worden voor de bespreking van een patiënt op een MOC moeten immers vijf papieren documenten worden ingevuld en naar het ziekenfonds van de patiënt worden gestuurd, namelijk 

  1. Een brief van de behandelende specialist naar de MOC-coördinator, die de inschrijving van de patiënt op het MOC-programma aanvraagt;
  2. Het registratieformulier van het Kankerregister (“bijlage 55”);
  3. Het MOC-rapport, dat de conclusie van de besprekingen bevat en dat dus meer gedetailleerd moet zijn dan het document van het Kankerregister;
  4. De lijst van de deelnemers aan de MOC die een betaling van honoraria aanvragen, met hun handtekeningen;
  5. Een begeleidingsbrief bij de betalingsaanvraag voor honoraria voor de verzekeringsinstelling.(zie ook KCE rapport 239A)  Er is nood aan een meer efficiënte administratieve afhandeling, bijvoorbeeld via digitalisering.

Herwaardering van de specifieke raadplegingen van medisch oncologen, hematologen en endocrinologen

Naar aanleiding van de erkenning van arts-specialist in de medische oncologie, en binnen het kader van de herwaardering van de (pediatrisch) medisch oncologen en hematologen, werden sinds 1 maart 2010 nieuwe verrichtingen voor specifieke consultaties aan de nomenclatuur toegevoegd (KB van 18/12/2009; Belgisch Staatsblad van 28/01/2010). De nomenclatuurcodes maken telkens het onderscheid tussen niet-geaccrediteerde geneesheer-specialisten (102270 voor medisch oncoloog; 102314 voor klinisch hematoloog en 102351 voor pediatrisch hematoloog en oncoloog) en geaccrediteerde geneesheer-specialisten (102292 voor medisch oncoloog; 102336 voor klinisch hematoloog en 102373 voor pediatrisch hematoloog en oncoloog). Een overzicht van het totaal aantal consultaties door deze disciplines voor de periode 2010 tot en met 2014 wordt gegeven in Tabel 4.

Bron: RIZIV. Cijfers voor 2010: vanaf 1/03/2010; 2011-2014: gegevens van 12 maanden.

Het aantal consultaties bij de medische oncoloog neemt toe tot 286.364 consultaties in 2014. Na de grote sprong in 2011 (250.492 in vergelijking met 160.869 in 2010), neemt het aantal met ongeveer 10.000 consultaties per jaar toe. De toename is bijna uitsluitend te wijten aan de verhoging van het aantal consultaties bij geaccrediteerde geneesheer-specialisten in de medische oncologie. Het aantal consultaties bij de klinische hematoloog volgt een gelijkaardige trend. Het aantal consultaties verdubbelde bijna tussen 2010 (98.611) en 2014 (195.438). In tegenstelling tot consultaties bij de medisch oncoloog, is de stijging hier zichtbaar bij zowel geaccrediteerde als niet-geaccrediteerde geneesheren-specialisten. Het aantal consultaties bij pediatrisch hematologen of pediatrisch oncologen bedroeg 9180 in 2014, en gebeurden bijna uitsluitend bij geaccrediteerde geneesheer-specialisten. Deze sterke toenames zijn niet recht evenredig met de toename van het aantal absolute kankerpatiënten.

De deelname van huisartsen aan het MOC bevorderen

Het KCE heeft de opdracht van het RIZIV gekregen om 10 jaar na introductie van de financiering van de MOCs de balans op te maken (KCE rapport 239As). Dit onderzoek geeft weer dat de participatie van de huisartsen laag is (zie figuur 6). Wel blijkt dat de participatie in perifere en kleine ziekenhuizen hoger is dan in universitaire centra, waarschijnlijk omdat deze kleinere ziekenhuizen meer de lokale zone bedienen en zich dichter bij de woonplaats van de huisarts bevinden.



 

Bron KCE rapport 239As

Daarnaast toont het QUALICOPC-onderzoek (Willems, 2014) aan dat 58% van de Franstalige huisartsen niet van het bestaan van de MOC afweet en 20% van de Nederlandstalige huisartsen.

Het College Voor Oncologie heeft zelf ook een enquête uitgevoerd om na te gaan of de OZPs en de OBZPs de voorwaarden en de kwaliteitscriteria volgen die werden vastgelegd in het KB van 21 maart 2003. Een vragenlijst werd opgestuurd naar alle ziekenhuizen in België om hun compliance met deze opgelegde  (kwaliteits)vereisten te evalueren. De  resultaten tonen aan dat  ziekenhuizen een iets hogere deelname van de huisartsen aan de MOC rapporteren dan weergegeven in het KCE rapport (Masterthesis van A. Van Steirtegen, 2013). In 19% van de ziekhuizen met een erkend oncologisch zorgprogramma (OZP) wordt een zeer lage participatie van de huisarts van minder dan 1% gerapporteerd. Het grote merendeel van deze ziekenhuizen (69%) geven aan dat huisartsen aanwezig zijn in 1 tot 20% van de MOCs. In 12% van de ziekenhuizen met een OZP, nemen huisartsen vaker deel aan de MOCs (20-40%). Van de ziekenhuizen met een erkend oncologische basiszorgprogramma (OBZP), geeft 30% aan dat een huisarts nooit deelneemt aan de MOC, in 50% van deze ziekenhuizen is een huisarts in 1-20% van de MOCs aanwezig, 20% van deze ziekenhuizen rapporteren een participatie van de huisarts in meer dan 20% van de MOCs.

In het KCE rapport (KCE rapport 239As) worden vele praktische hindernissen gemeld zoals de laagtijdige uitnodiging, het tijdstip van de vergadering, de afstand tot het ziekenhuis, de relatie tot de specialist, het gevoel erkend te worden als waardevolle professionele partner en dat allemaal voor 1 patiënt en een bespreking van hoogstens 10min. Er worden ook verschillende creatieve oplossingen opgenoemd om de betrokkenheid en de mening van de huisarts mee te laten spelen in het oordeel over welke therapieën het beste zijn voor de patiënt.

Bijkomende aspecten van de MOC

Uit deze enquête van het College voor Oncologie blijken ook andere professionals regelmatig deel te nemen aan de MOC (zie figuur 6). Dit komt de kwaliteit van leven voor de patiënt en zijn of haar naasten, en het zorgtraject zeker ten goede.

In het KCE rapport (239As) worden nog andere duidelijke belemmeringen geïdentificeerd voor een efficiënte MOC vergadering zoals: chaotische vergadering (33%), onmogelijke timing (30%), afwezigheid van sleutelfiguren (29%), onaangepaste financiering (28%) en gebrek aan voorbereidingstijd (26%). Videoconferencing wordt genoemd als de oplossing voor mobiliteitsproblemen van deelnemers en ook ter bevordering van de deelname van huisartsen. Echter, het oplossen van deze organisatorische dilemma’s, zal een voorwaarde zijn om videoconferencing succesvol te kunnen gebruiken als vergadermethode.

Een ander punt dat vermeld wordt, is dat de codering van de gegevens uit de MOC door de datamanager onvoldoende is voor een optimaal gebruik door het Kankerregister. Hier kan de vraag gesteld worden of deze gegevens ook alleen gebaseerd moeten worden op de MOC vergadering of dat ze ook op alternatieve wijzen verzameld kunnen worden.

Ten slotte, de financiering van de MOC’s vormen de basis voor extra personeel in de zorgprogramma’s (zie infra). Het aantal VTE dat dit extra personeel vertegenwoordigt, wordt berekend op basis van het jaarlijkse aantal door het ziekenhuis gefactureerde MOCs. Echter, de definitie en de financiering van sommige functies zijn niet altijd duidelijk. De onduidelijkheden over de competenties voor en de rol van deze functie komen tot uiting in de veelheid aan benamingen en functietitels die in de enquête van het KCE werden opgegeven.

Conclusie MOC

Het aantal patiënten- ongeacht de tumorsoort- dat wordt voorgesteld en besproken in een eerste MOC en in een opvolgingsMOC is duidelijk gestegen Hiervoor zijn verschillende redenen aan te wijzen, doch dit is niet onderzocht: de toenemende complexiteit van de diagnostiek en van de behandelingen, mede in het licht van  de stijgende leeftijd van de kankerpatient, meer patienten met chronische ziektes en met meerdere kankers…Het absoluut aantal artsen die deelgenomen heeft aan een MOC is eveneens gestegen. Deze stijging is vooral toe te schrijven aan de verhoogde deelname van artsen die deel uitmaken van het ziekenhuispersoneel. Uit de enquête van het College Voor Oncologie blijken ook andere professionals regelmatig deel te nemen aan de MOC, hetgeen de kwaliteit van leven voor de patiënt en naasten en het zorgtraject zeker ten goede komt.

Ongeveer de helft van de patiënten wordt een tweede keer besproken in een opvolgings-MOC. Niet alle patiënten worden in de MOCs besproken. Er is een afname te constateren bij patiënten ouder dan 80 jaar bijvoorbeeld. Het is mogelijk dat het niet organiseren van een MOC samenhangt met de complexiteit en de ongeneeslijkheid van de kanker. Patiënten met bepaalde vormen van kanker worden minder vaak besproken dan andere (bijvoorbeeld prostaat, Hoofd-hals, zeldzame tumoren). Het ontbreken van MOCs voor deze zeldzame aandoeningen zou een van de redenen kunnen zijn voor dit verminderd aantal MOCs bij patiënten ouder dan 80 jaar (KCE rapport 239A, 2015 & KCE rapport 219, 2014).

De impact van deze multidisciplinaire overlegmomenten wordt algemeen als erg positief beschouwd (KCE rapport 239A) en de MOCs maken deel uit van de routine van het merendeel van de Belgische ziekenhuizen. Er zijn wel nog verbeterpunten mogelijk, zoals de deelname van de huisarts en organisatorische zaken. Het KCE suggereert een herziening van de wettelijke regelingen met betrekking tot de MOCs, de organisatie en de honorering ervan. Zeker in het kader van de enorme toename van de te verwachten kankerpatiënten tussen nu en 2025. Het KCE geeft daartoe enkele aanbevelingen.

Mots-clés: 
Organisatie van de zorg : Consults en consultaties

Andere maatregelen op dit gebied

Gebruik van de hadrontherapie in België

Organisatie van de zorg : Toegankelijkheid en financiering Gebruik van de hadrontherapie in België

Invoeren van zorgtrajecten voor kankerpatiënten

Organisatie van de zorg : Zorgtrajecten (Volwassenen) Invoeren van zorgtrajecten voor kankerpatiënten

Multidisciplinaire centra voor een conservatieve aanpak van lymfoedeem

Structurele steun aan de celbanken en de eenheden celtherapie voor bloedvormende stamcellen en navelstrengbloed

Specifieke steun op het moment van de mededeling dat kanker werd vastgesteld

Organisatie van de zorg : Consultaties en Personeel Specifieke steun op het moment van de mededeling dat kanker werd vastgesteld

Definitie en financiering van een oncologisch zorgprogramma in de pediatrie

Organisatie van de zorg : Zorgtrajecten (Kinderen) Definitie en financiering van een oncologisch zorgprogramma in de pediatrie

Verbetering van de terugbetaling van bijkomende kosten die verbonden zijn aan kankerbehandelingen

Extra Personeel: verpleegkundigen, oncopsychologen, sociale werkers en datamanagers

Behandeling van zeldzame tumoren

Organisatie van de zorg : Zorgtrajecten (Volwassenen) Behandeling van zeldzame tumoren

Langdurig gesprek na complexe kankerchirurgie

Structurele financiering van de keten van pediatrische zorgen ‘Voortgezette Zorg Kinderen’

Psychosociale steun voor de patiënten in het kader van het oncologisch zorgprogramma (OZP)

Erkenning van de titel van verpleegkundige in de oncologie

Betere behandeling inzake voeding van kankerpatiënten

Organisatie van de zorg : Personeel Betere behandeling inzake voeding van kankerpatiënten

Betere dekking door de verplichte ziekteverzekering van de geneesmiddelen tegen kanker

Organisatie van de zorg : Toegankelijkheid en financiering Betere dekking door de verplichte ziekteverzekering van de geneesmiddelen tegen kanker

Oprichting van een tumorbank

Organisatie van de zorg : Toegankelijkheid en financiering Oprichting van een tumorbank

Ondersteunen van radiotherapie en oncologische beeldvorming

Organisatie van de zorg : Toegankelijkheid en financiering Ondersteunen van radiotherapie en oncologische beeldvorming

Immunotherapie

Innovatieve therapieën Immunotherapie Lopend

Watson for Oncology?

Technologie Watson for Oncology? Lopend

Conventie concentratie zorg zeldzame kanker

Minual residual disease (MRD) for ALL kids (Acute lymfatische leukemie)

Rekruteren van kandidaat-stamceldonoren

Oncofreezing

vruchtbaarheid Oncofreezing Lopend

Tandzorg na kanker

Zorg Tandzorg na kanker Lopend

Verbod supplementen borstreconstructie en conventie met de plastisch chirurgen

Projecten thuishospitalisatie

Mammaprint

borstkanker Mammaprint Lopend